Wie gaat wanneer en wat doen?

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Mijn tante gaat overmorgen tennissen.

Wie

Mijn tante

De jongens

De buurman

Mijn ouders

De kinderen

Wanneer

zaterdag

deze zomer

vanmiddag

volgend jaar

overmorgen

Wat

verhuizen

uit eten

winkelen

tennissen

kamperen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

De buurman gaat zaterdag winkelen.

Wie

Mijn tante

De jongens

De buurman

Mijn ouders

De kinderen

Wanneer

zaterdag

deze zomer

vanmiddag

volgend jaar

overmorgen

Wat

verhuizen

uit eten

winkelen

tennissen

kamperen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

De kinderen gaan volgend jaar kamperen.

Wie

Mijn tante

De jongens

De buurman

Mijn ouders

De kinderen

Wanneer

zaterdag

deze zomer

vanmiddag

volgend jaar

overmorgen

Wat

verhuizen

uit eten

winkelen

tennissen

kamperen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

De jongens gaan deze zomer verhuizen.

Wie

Mijn tante

 De jongens

De buurman

Mijn ouders

De kinderen

Wanneer

zaterdag

deze zomer

vanmiddag

volgend jaar

overmorgen

Wat

verhuizen

uit eten

winkelen

tennissen

kamperen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Mijn ouders gaan vanmiddag uit eten.

Wie

Mijn tante

De jongens

De buurman

Mijn ouders

De kinderen

Wanneer

zaterdag

deze zomer

vanmiddag

volgend jaar

overmorgen

Wat

verhuizen

uit eten

winkelen

tennissen

kamperen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Onze vrienden gaan woensdag hockeyen.

Wie

Wij

Onze vrienden

Mijn broer

Piet

Mijn collega

Wanneer

woensdag

vandaag

volgende week

straks

morgen

Wat

fietsen

op reis

hardlopen

koffiedrinken

hockeyen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Piet gaat morgen op reis.

Wie?

Wij

Onze vrienden

Mijn broer

Piet

Mijn collega

Wanneer?

woensdag

vandaag

volgende week

straks

morgen

Wat?

fietsen

op reis

hardlopen

koffie drinken

hockeyen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Mijn collega gaat vandaag fietsen.

Wie

Wij

Onze vrienden

Mijn broer

Piet

Mijn collega

Wanneer

woensdag

vandaag

volgende week

straks

morgen

Wat

fietsen

op reis

hardlopen

koffiedrinken

hockeyen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Wij gaan straks hardlopen.

Wie

Wij

Onze vrienden

Mijn broer

Piet

Mijn collega

Wanneer

woensdag

vandaag

volgende week

straks

morgen

Wat

fietsen

op reis

hardlopen

koffiedrinken

hockeyen

Wie gaat wanneer en wat doen?

Maak een keuze in elke kolom.

Mijn broer gaat volgende week koffiedrinken.

Wie

Wij

Onze vrienden

Mijn broer

Piet

Mijn collega

Wanneer

woensdag

vandaag

volgende week

straks

morgen

Wat

fietsen

op reis

hardlopen

koffiedrinken

hockeyen

Einde Oefening 10

Je hebt een score behaald van:

0%

Einde Les 9

De lessen 1 t/m 9 zijn een basis om de komende drie thema- lessen (10 t/m 12) goed te kunnen doen. Merkt u dat de thema-lessen nog lastig gaan, herhaal de lessen 1 t/m 9 dan nog zo vaak als nodig.

Tip! Vraag aan uw gesprekspartner of hij eerst het onderwerp wil aangeven vóórdat hij begint te vertellen en leg uit waarom dat zo belangrijk voor u is.

Tip! Als u slechts een deel van de zin hebt begrepen, herhaal dan wat u wél hebt gehoord en vraag door naar wat u nog niet hebt begrepen  (de wie-wat-waar-wanneer vraagzinnen). Dat houdt het gesprek op gang en uw gesprekspartner hoeft alleen te herhalen wat u niet begrepen hebt.

Tip! Geef aan dat het fijn is als iets wordt herhaald als u iets niet hebt begrepen. Bespreek het ook als er te snel wordt herhaald, even een rustmoment is ook belangrijk. Soms hebt u gewoon wat meer tijd nodig voor het spraakafzien. Uw gesprekspartner kan letterlijk herhalen, maar soms is het ook prettig om het nog eens in andere woorden te zeggen.

Naar Hoofdmenu