Welke datum? (in zinnen)

Zaterdag 18 juli ga ik naar Eindhoven.

Zaterdag ............... ga ik naar Eindhoven.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

10 januari

31 mei

18 juli

7 november

Zondag 9 augustus ga ik naar Rotterdam.

Zondag ............ ga ik naar Rotterdam.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

22 april

9 augustus

28 oktober

3 december

Woensdag 10 april ga ik naar Venlo.

Woensdag.............. ga ik naar Venlo.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

18 maart

10 april

29 mei

4 juni

Dinsdag 4 maart ga ik naar Utrecht.

Dinsdag ............... ga ik naar Utrecht.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

4 maart

25 juli

3 september

2 december

Donderdag 8 oktober ga ik naar Gouda.

Donderdag ..................ga ik naar Gouda.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

8 oktober

14 februari

1 juni

20 januari

Zaterdag 23 februari ga ik naar Emmeloord.

Zaterdag ................... ga ik naar Emmeloord.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

23 februari

23 maart

8 augustus

7 december

Woensdag 30 mei ga ik naar Vlissingen.

Woensdag .................. ga ik naar Vlissingen.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

27 januari

30 augustus

2 april

30 mei

Vrijdag 20 september ga ik naar Heerenveen.

Vrijdag .....................ga ik naar Heerenveen.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

10 maart

8 september

20 september

20 oktober

Maandag 12 november ga ik naar Zwolle.

Maandag ...................ga ik naar Zwolle.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

12 februari

20 maart

12 november

30 november

Maandag 15 januari ga ik naar Amsterdam.

Maandag ................. ga ik naar Amsterdam.

Elke zin bestaat uit een dag, een datum en een plaatsnaam. Welke datum ga ik weg?

8 januari

15 januari

15 maart

27 april

Einde Oefening 10

Je hebt een score behaald van:

0%

Einde Les 2

Zijn de oefeningen in les 2 nog (te) moeilijk? Geen paniek. U zult zien dat het na de oefeningen in les 3 t/m 7, waarin de verschillende mondbeelden worden geoefend, een stuk beter gaat.

Tip! Schrijf plaatsnamen of landen op die voor u belangrijk zijn. Voel hoe de mondbewegingen gaan en oefen ze daarna met uw gesprekspartner.

Naar Hoofdmenu