Kleine verschillen zien tussen zinnen

De bomen zijn geteld.

Welke zin zie je?

De bomen zijn geteld.

De bomen zijn geveld.

Het bloeden gaat stoppen.

Welke zin zie je?

Het bloed gaat stollen.

Het bloeden gaat stoppen.

Wie is er aan het woord?

Welke zin zie je?

Wie is er aan het woord?

Wie is er aan de poort?

Heb jij kralen geteld?

Welke zin zie je?

Heb jij kralen geteld?

Heb jij Caren gebeld?

Pak even dat boekje voor mij.

Welke zin zie je?

Pak even dat boekje voor mij.

Pak even dat doekje voor mij.

Wij verlaten het huis.

Welke zin zie je?

Wij verlieten het huis.

Wij verlaten het huis.

Daan is ziek.

Welke zin zie je?

Daan is ziek.

Daan is zoek.

Het dak is lek.

Welke zin zie je?

Het dak is leuk.

Het dak is lek.

Het is een gouden kip.

Welke zin zie je?

Het is een gouden kop.

Het is een gouden kip.

Die man heeft een sok.

Welke zin zie je?

Die man heeft een sik.

Die man heeft een sok.

Einde Oefening 10

Je hebt een score behaald van:

0%

Einde Les 5

Nu u al veel mondbeelden geleerd hebt, zult u vast al steeds meer mondbeelden herkennen tijdens een gesprek. Houd er rekening mee dat u nooit alle geoefende mondbeelden zult herkennen. Omliggende klanken kunnen het zicht in de mond onmogelijk maken. Bovendien worden de klanken in een gesprek in een zeer snel tempo achter elkaar uitgesproken. Het helpt natuurlijk wel als uw gesprekspartner rustig en duidelijk spreekt.

Tip! Doe de oefeningen van les 1 en 2 nog eens. Kijk of u tongpuntklanken l-n-t-d-s-z-r en de brede, meer gesloten klinkers ie-ee-i-e herkent in de woorden en zinnen. 

Tip! Probeer te ontdekken welke r mensen om u heen gebruiken. Kunt u de r zien, dan is het een tongpunt-r.

Tip! Kijk welke klanken u het beste recht-voor of juist meer van opzij bij uw gesprekspartner kunt afzien.

Naar Hoofdmenu